Zo snel als zijn voeten hem konden dragen, haastte Jean-François Champollion zich door de Rue Mazarine in Parijs. Met een stapel papieren in zijn hand rende hij in de richting van de Seine. Daar, onder het imposante koepeldak van het Institut de France, werkte zijn broer Jacques-Joseph. Toen hij hem gevonden had, riep Jean-François: „Je tiens mon affaire!” („Het is me gelukt!”) Daarna viel hij flauw.

Het was 14 september 1822 – deze maand tweehonderd jaar geleden – en de uitgeputte polyglot werd naar huis gedragen, waar hij een aantal dagen in semi-comateuze toestand in bed doorbracht, voordat hij zich weer aan het werk zette. De wereld moest namelijk weten dat het hem was gelukt: Jean-François Champollion had het hiërogliefenschrift gekraakt.

Bij zo’n ontdekking hoorde natuurlijk een spectaculair Eureka-moment – en dus keek niemand er van op dat Champollion in het Institut de France van zijn stokje ging. Er is alleen een klein probleempje met deze anekdote: we lezen voor het eerst over dit voorval in een biografie van Champollion die twintig jaar na zijn dood verscheen. Contemporaine bronnen voor de dramatische scène zijn er niet. Dat wil niet zeggen dat het niet gebeurd is – aantekeningen kunnen verloren gaan – maar het geeft aan dat de ontcijfering van het schrift van de farao’s Champollion een mythische status bezorgde, de status van een eenzaam genie dat ten koste van zijn gezondheid was geslaagd waar anderen hadden gefaald.

De geschiedenis van de ontcijfering van het hiërogliefenschrift is gecompliceerder dan dat. Het is een verhaal van meerdere onderzoekers die tegelijk aan een probleem werkten en elkaar (in wetenschappelijke zin) naar het leven stonden. En het is vooral het verhaal van de race tussen de Fransman Champollion en de Engelsman Thomas Young om als eerste de sleutel van het Egyptische geheimschrift te ontdekken.

Franse soldaat

Veel mensen denken dat het onderzoek naar hiërogliefen begon met de vondst van de Steen van Rosetta. Dat klopt niet. In de eeuwen ervoor hadden islamitische geleerden al geprobeerd de tekens op Egyptische papyri, tempels, obelisken en stèles te ontcijferen – zonder veel succes. Ook in Europa waren geleerden al langer op de hoogte van het bestaan van het schrift dat bestond uit tekeningen van mensen, dieren en dingen, maar het decoderen ervan leek een onmogelijke klus.

En toen dook tijdens de Egyptische veldtocht van Napoleon in 1799 een steen op die een tekst uit 196 voor Christus bevatte in drie schriften: hiërogliefen, demotisch (een Egyptisch schrift van ‘schrijfletters’) en Grieks. Een Franse soldaat vond de stèle in een fort bij de plaats Rosetta en het gevaarte van ruim 750 kilogram werd onderzocht door de savants (wetenschappers) die Napoleon op zijn veldtocht had meegenomen.

Zij konden het Grieks lezen en zagen dat rond de naam van farao Ptolemaeus een ovalen lijn getekend was, die ze een cartouche noemden (omdat de vorm eruit zag als een cartouche, het zakje waarin het kruit voor een musketschot zat). Ook in de andere twee teksten stonden dit soort cartouches met tekens erin. Het lag voor de hand dat het om dezelfde teksten ging. Met behulp van de namen in de cartouches waren misschien de twee andere schriftsoorten te kraken.

De Fransen verloren de strijd in Egypte van de Britten, die alle archeologische vondsten in beslag namen en in 1801 afvoerden naar Londen. Omdat de savants al kopieën hadden gemaakt van de in steen gebeitelde teksten – en van andere opschriften die ze in Egypte hadden aangetroffen – kon nu aan beide zijden van het Kanaal begonnen worden met de ontcijfering van het Egyptisch.

Dat schrift kende een aantal verschijningsvormen: 1) De fraaie hiëroglyfen die in steen of op belangrijke papyri waren aangebracht, 2) Het daarvan afgeleide hiëratisch schrift dat met pen en inkt op papyrus aan elkaar geschreven werd en 3) het demotisch schrift dat rond 700 voor Christus als eenvoudiger vorm van het hiëratisch ontstond. In al deze schrijfwijzen ontbraken klinkers. Vanaf de tijd dat de opvolgers van Alexander de Grote de scepter zwaaiden in Egypte, de vierde eeuw voor Christus, mengde Grieks zich met demotisch, dat uiteindelijk verdween en werd vervangen door 4) Koptisch, een schrift met demotische én Griekse tekens – en dus klinkers.

Dit alles was in 1799 nog volstrekt onbekend.

Toen de Steen van Rossetta werd gevonden, was Jean-François Champollion negen jaar oud. Hij kwam uit een middenklasse-gezin – zijn vader was boekhandelaar – dat welwillend stond tegenover de idealen van de Franse Revolutie. Hij werd opgevoed door zijn twaalf jaar oudere broer Jacques-Joseph (zelf ook een geleerde) die zijn hele leven zijn steun en toeverlaat was.

Champollion was al op jonge leeftijd gefascineerd geraakt door de Egyptische cultuur en besloot dat hij die wilde ontsluiten via het Koptisch, de taal die nog altijd in Egypte werd gesproken en waarvan hij vermoedde dat het een directe nazaat was van het oude Egyptisch. Als tiener in Parijs ging hij in de leer bij een Koptisch-christelijke Egyptische priester en leerde hij zichzelf ook Hebreeuws, Arabisch, Aramees en Perzisch om het oude Egyptisch beter te kunnen ontsluiten.

Aan zijn inzet lag het dus niet. Maar het pad naar die glorieuze 14 september 1822 was niet recht en lag vol valkuilen. Champollion dacht aanvankelijk dat het Koptische alfabet zich makkelijk zou laten overzetten in een hiërogliefenalfabet. Niets bleek minder waar. In 1808 schreef hij wanhopig aan zijn broer: „Ik kom niet verder! Groepen [tekens] stoppen me. Ik heb ze bestudeerd, hele dagen over ze nagedacht … en er niks van begrepen!”

Champollion wist niet hoe het hiërogliefenschrift en het demotisch op de Steen van Rosetta aan elkaar verwant waren. Hij wist zelfs niet zeker of dit überhaupt wel het geval was. Hij wist ook niet of de vreemde tekens stonden voor klanken of woorden. Waren het letters, zoals in ons alfabet, waren het lettergrepen (een ‘syllabisch’ schrift) of stonden de tekens voor een ding of concept (een pictografisch of logografisch schrift, waarbij het teken een plaatje is van het bedoelde voorwerp of staat voor een woord)? Vanwege het mystieke aura dat om het oude Egypte hing, vermoedden veel Europese geleerden dat het om de laatste variant ging, waarbij met religieuze symbolen geheime kennis zou zijn genoteerd.

School was saai

In Frankrijk had Champollion een aantal concurrenten, onder wie zijn eigen leraar Silvestre de Sacy, maar hij wist niet dat ook in Engeland iemand bezig was met het mysterie van de Steen van Rosetta. Dat was Thomas Young, een man die door zijn biograaf The Last Man Who Knew Everything is genoemd. Een blik op Youngs cv leert dat dit niet onterecht was. Young, zeventien jaar ouder dan Champollion, kon lezen toen hij twee was en had op zijn vierde de bijbel uit. School was saai, dus leerde hij – naast het verplichte Latijn en Grieks – Frans, Italiaans, Hebreeuws, Arabisch, Perzisch, Turks, Ethiopisch en ook nog wat van de taal van de Chaldeeën en Samaritanen. Young was ook dol op natuurwetenschappen. Omdat je nu eenmaal een beroep moest hebben, volgde hij een opleiding tot arts.

Een erfenis zorgde er al snel voor dat hij niet meer hoefde te werken voor zijn geld, wat hem de tijd gaf zich geheel aan zijn geleerde passies te wijden. Een groot verschil met Champollion die moest leven van baantjes als docent, in een roerige periode van de Franse geschiedenis. Zijn politieke keuzes leidden een aantal keren tot ontslag.

Young begon in 1814 te werken aan de Steen van Rosetta. Als eerste boog hij zich over het middelste deel, het demotische. Zijn geheugen en zijn fenomenale vermogen om patronen te ontwaren, wekten bij hem het vermoeden dat de tekens van het demotisch en het hiërogliefenschrift aan elkaar verwant waren. Hij dacht ook dat het demotisch schrift bestond uit een combinatie van pictografische en fonetische tekens.

In 1819 publiceerde hij anoniem een artikel als supplement van de Encyclopaedia Britannica waarin hij zijn kennis met de wereld deelde. In het artikel gaf Young zijn transliteratie (het omzetten van het ene schrift in het andere) van de hiëroglyfenletters die de namen Ptolemaeus en Berenike vormden. Verder sprak hij het vermoeden uit dat sommige hiëroglyfen achter een groep tekens werden geplaatst als determinatieve bepaling: ze gaven aan hoe je het woord ervoor moest begrijpen.

Champollion zat op heel een ander spoor. Hij publiceerde rond deze tijd De l’écriture hiératique des anciens égyptiens, waarin hij correct stelde dat hiëratisch een vereenvoudigde versie van het hiërogliefenschrift was. Hij zat er echter helemaal naast met zijn aanname dat hiëratisch en demotisch geheel symbolische schriften waren – en dat hetzelfde dus gold voor het hiërogliefenschrift.

Iets later las hij het artikel van Young en kwam hij er ook zelf achter dat zijn ideeën niet konden kloppen, mede omdat op de Steen van Rosetta 486 Griekse woorden stonden en 1.419 hiërogliefen. Als die hiërogliefen inderdaad stuk voor stuk voor één begrip zouden staan, dan waren dat er veel te veel. Het oude Egyptisch moest dus ook een fonetische component hebben, begon het Champollion te dagen.

Met behulp van een tekening van een Egyptische obelisk die naar Engeland was vervoerd, zette hij in de eerste maanden van 1822 de volgende stap. Hij las in een cartouche in hiëroglyfen de naam Cleopatra. De letter ‘l’ werd in haar naam – net als in die van Ptolemaeus – afgebeeld door een leeuw, tot Champollions grote genoegen. „Deze twee leeuwen zullen de leeuw [een motief dat hij voor zichzelf gekozen had] aan de overwinning helpen.”

Champollion was er nu bijna. Zijn analyse van het Egyptische schrift bevatte nog één belangrijke foute aanname: hij dacht dat hiërogliefen alleen bij de weergave van buitenlandse namen een fonetische functie hadden. Het laatste puzzelstukje viel op zijn plaats toen hij tekeningen ontving van de tempel van Aboe Simbel. Daarop las hij in een cartouche met hiërogliefen de naam Ramses. Hij herkende het eerste teken als een zon en wist vanwege zijn kennis van het Koptisch dat dit als ‘ra’ moest worden uitgesproken. De laatste twee tekens kende hij uit zijn transliteratie van de naam Ptolemaeus als een ‘s’. Hij las dus Ra*s(e)s. De klank ertussen kon hij nu afleiden, dat moest een ‘m’ zijn.

Ramses was een farao-naam van lang vóór de komst van de Grieken naar Egypte. Ergo: het Egyptisch schrift gebruikte voor het weergeven van eigennamen altijd al een combinatie van symbolische/logografische en fonetische tekens. Champollion raapte zijn papieren bij elkaar en rende de straat op, richting het Institut de France – om daar flauw te vallen.

Champagne

In dit gebouw was de Académie des inscriptions et belles-lettres gevestigd. Op 27 september hield Champollion er een lezing over zijn bevindingen. Zijn tekst stuurde hij als een brief aan Joseph Dacier, de secretaris van het illustere gezelschap. Met deze Lettre à M. Dacier relative à l’alphabet des hiéroglyphes phonétiques ging de 31-jarige Fransman de geschiedenis in als de man die het hiërogliefenschrift heeft gekraakt.

Stom toevallig was Thomas Young die dag bij de lezing aanwezig. Aanvankelijk was hij gul met zijn lof voor Champollion. Hij schreef een vriend dat zijn jonge collega uiteraard „een Engelse sleutel” had gebruikt, „maar het slot was zo vreselijk roestig dat geen gewone arm de kracht had gehad het open te draaien.” Toen Champollion in latere publicaties echter weigerde Young de credits te geven die hij meende te verdienen, sloeg diens welwillendheid om in vijandschap. Hij kraakte het werk van de Fransman af en liet de hiërogliefen verder links liggen. Hij had genoeg andere passies.

Champollion zou de tien jaar die zijn leven nog duurde volledig wijden aan het Egyptische schrift. Om te bewijzen dat zijn systeem allesverklarend was – in tegenstelling tot de paar letters die Young ontcijferd dacht te hebben – publiceerde hij in 1824 het zeshonderd pagina’s dikke Précis du système hiéroglyphique des anciens Égyptiens.

Daarin schreef hij dat fonetische tekens niet alleen in eigennamen werden gebruikt, maar ook in de rest van de Egyptische taal – en dat dit al zo was vanaf het ontstaan ervan, niet pas na de komst van de Grieken. Ook wierp hij meer licht op de werking van de determinatieven, de speciale tekens die aangeven hoe het woord dat ervoor staat begrepen moet worden. Het systeem dat hij in de Précis presenteerde, kon zo gebruikt worden om alle oude Egyptische teksten te lezen. We weten nu dat er zo’n 800 hiërogliefen hebben bestaan die vanaf de uitvinding van het schrift 3.000 jaar lang in gebruik zijn geweest. Daarvan waren er 24 fonetisch.

In 1828 zag Champollion eindelijk het land van zijn dromen, als lid van een expeditie. Hij reisde van Alexandrië in het noorden naar Aboe Simbel in het zuiden, dronk water uit de Nijl („champagne”), zag de piramides van Gizeh („lelijk van dichtbij”) en de koningsstad Thebe („wij in Europa zijn maar Lilliputters”).

Tijdens de maandenlange tocht bleek dat hij alle inscripties kon lezen. Hij kopieerde er honderden. Champollion schreef weer een brief aan Dacier van de Académie: „Ik ben er trots op te kunnen zeggen, nu ik de loop van de Nijl heb gevolgd van de monding tot de tweede cataract, dat ik het recht heb om u te melden dat er niks veranderd hoeft te worden aan onze Lettre relative à l’alphabet des hiéroglyphe. Ons alfabet klopt.”

Gebruikte literatuur: Lesley en Roy Adkins: The Keys of Egypt; Jed Buchwald en Diane Greco Josefowic: The Riddle of the Rosetta; Jean Lacouture: Champollion; Toby Wilkinson: A World Beneath the Sands.

Leave a Reply